Kortgeleden grapte een Nigeriaanse vriend dat hij de ontdekking van Gaasperplas had gedaan. Het klinkt ons redelijk bizar in de oren, want er wonen immers al jaren mensen. Echter, het ontdekken van nieuw land was ook hoe Columbus het omschreef toen hij in 1492 op de Bahama’s in het Caraïbisch gebied aan kwam. Dat één man zo bepalend zou zijn voor de geschiedenis van een continent dat voor zijn komst enkele van de hoogste beschavingen ter wereld kende is nog steeds onvoorstelbaar. Na zijn terugkomst in Europa verdeelde de paus in 1494 het Latijns-Amerikaanse continent tussen de toen heersende wereldmachten Spanje en Portugal, de tijd werd verdeeld in een pre-Columbiaanse tijd en de tijd daarna en Columbia, waar hij overigens zelf nooit geweest was, werd naar hem genoemd.
            Hoe dit alles mogelijk was, hoe rijke beschavingen door de Spanjaarden werden vernietigd en hoe het continent zich weer wist te bevrijden, wordt inzichtelijk gemaakt in het boek van Heeffer. Een pionierend werk in de Nederlandse filosofie, want tot nu toe is de Latijns-Amerikaanse filosofie een zwaar onderbelicht gebied. Dat maakt het lezen extra spannend, want Heeffer toont niet alleen de filosofische ontwikkeling in dit continent, maar ook hoe die onlosmakelijk is verbonden met de Europese geschiedenis.

            Zijn insteek is vanuit de bevrijdingsfilosofie die in de twintigste eeuw op kwam met als belangrijkste protagonist Enrique Dussel. Hij legt de verbinding met de wijsheid van de oude Zuid-Amerikaanse beschavingen, die een cosmovision hebben die ver af staat van het Westerse wereldbeeld: de mens is onderdeel van de natuur, er wordt gedacht vanuit een ‘wij’ en tijd en ontwikkeling zijn niet lineair, maar cyclisch. Ondanks dit verschil in tijdsopvatting komt Heeffer met de opzet van zijn boek de Westerse lezers, die gewend is aan een chronologische opbouw, tegemoet. Hij begint met de pre-Columbiaanse tijd, die volgens hem gekenmerkt wordt door contextueel denken.
            Het begint meteen al spannend, want we weten nog maar sinds kort iets meer van de levensvisie van deze beschavingen. De Russische linguïst Joeri Knorozov stuitte aan het einde van de 2e Wereldoorlog in Berlijn op reproducties van het Landa-alfabet, genoemd naar de Spaanse inquisiteur Landa die in de 16de eeuw poogde het schrift van de Maya’s te ontcijferen. Hem lukte het destijds niet, Knorozov deze keer wel.
            In zijn boek geeft Heeffer niet alleen aan waarom pre-Columbiaanse filosofieën niet erkend werden, maar legt hij ook de verbinding met het Chinese Taoisme, het Boeddhisme en de Zuid-Afrikaanse Ubuntu. In tegenstelling tot de Westerse filosofie is de logica daarin niet primair gebaseerd op het (geschreven) woord. Hier ontmantelt hij het Westerse universele waarheidsbegrip door te stellen dat wat waar is binnen één logica niet noodzakelijk waar hoeft te zijn binnen een andere logica.
            In de Latijns-Amerikaanse filosofie heeft dit geleid tot een contextfilosofisch denken, vanuit een relationele ontologie, waarin ons bestaan niet los gezien kan worden van de context waarin we leven. Hierin staan taal en tijd centraal en kaart Heeffer het geweld dat door vertalingen aangedaan kan worden aan. De levensvisie van de indios was niet zomaar te vertalen in het Spaans of Portugees. Bovendien gingen de Spanjaarden en Portugezen uit van een lineaire tijdsindeling die gesegmenteerd is in eenheden en waarin er een noodzakelijk verband is tussen oorzaak en gevolg, terwijl de tijd van de Maya’s, Inca’s en Azteken gebaseerd is op cyclische gebeurtenissen, die gemarkeerd werden door vieringen.
            Hoe meer ik lees over het geweld dat door de Christelijke religie en een rationele levensvisie de oorspronkelijke bewoners van dit continent de afgelopen 500 jaar is aangedaan, hoe bewuster ik word van mijn eigen denken vanuit een cultuur die meer dan 1800 jaar door het christendom gedomineerd is.
            Vervolgens behandelt Heeffer de drie grootste pre-Columbiaanse beschavingen die nu bij ons bekend zijn: de Azteken, de Inca’s en de Maya’s. Hij verwijst niet alleen naar de levensvisie van verschillende volken, maar waar mogelijk noemt hij filosofen uit de pre-Columbiaanse culturen bij naam, zoals de Azteekse wijsgeer Nezahualcoyotl (1402- 1472).
            In het volgende hoofdstuk gaat Heeffer pas echt in op het geweld van de Spanjaarden en het christendom, waarbij niet alleen de imperialistische overheersing centraal staat, maar ook het uitmoorden van kennissystemen (door de Portugese socioloog Boaventura de Sousa Santos epistemicide genoemd). Vanuit een superioriteitsgevoel werd het onderwijssysteem voor het Latijns-Amerikaanse continent de Spaanse Universiteit van Salamanca als model genomen. Daarnaast werd de christelijke religie ingezet als belangrijk bindmiddel voor politieke eenheid.            

            Maar ook de Spaanse overheersers zijn niet allen over één kam te scheren. Zo haalt Heeffer ook Spaanse geleerden aan die oprecht geïnteresseerd waren in het erfgoed van de oorspronkelijke inwoners, zoals de filosoof Bartolomé de las Casas en de medicus Nicolás Monardes (1508-1588). Maar terecht eindigt ook dit hoofdstuk weer met een hoofdrol voor een Inca kroniekschrijver, de Peruaan Felipe Poma de Ayala (1534 -1615). Zijn manuscript wordt door de Latijns-Amerikaanse bevrijdingsdenkers beschouwd als een eerste aanzet tot het dekoloniseren van het denken. En ook dit weer laat zien hoe pril dit onderzoeksgebied nog is in Europa, want ook dit manuscript is pas sinds 1980 beter bekend geraakt.
            Nu komen we aan in de postcolumbiaanse tijd, waarin de blik niet meer alleen op het Latijns-Amerikaanse continent, maar ook op ons eigen Europese continent gericht wordt en worden de racistische opvattingen van Kant en Hegel besproken. Beiden zien andere culturen als inferieur en verbinden dit aan huidskleur. Hegel gaat nog een stap verder dan Kant door deze andere volken een plek in de wereldgeschiedenis te miskennen, omdat ze niet voldoen aan het Europese model van staatsinrichting.
            Pas in 1968 wordt de roep om een eigen Latijns-Amerikaanse filosofie luider, een filosofie die sociaal geëngageerd is en ecologisch bewust. De dan opkomende bevrijdingsfilosofie gaat er vanuit dat vrijheid niet mogelijk is, zolang er nog armoede is en het centrum van het denken is niet de polis, maar een leven in balans met de natuur.
            Heeffer laat ook zien welke Westerse filosofen van invloed zijn geweest op de ontwikkeling van een Latijns-Amerikaanse filosofie en behandelt achtereenvolgens:
Karl Christian Friedrich Krause, Auguste Comte, José Ortega y Gasset, Baruch Spinoza en Karl Marx. Vooral de invloed van de bij ons relatief onbekende filosoof Krause vond ik fascinerend om te lezen. Krause, die als student van Hegel, tussen 1802 en 1804 samen met hem colleges gaf in Jena heeft door zijn interpretatie van de relatie God-natuur en zijn opvattingen over sociale rechtvaardigheid een grotere invloed op het Latijns-Amerikaanse denken gehad dan Hegel.
            Als laatste tijdsperiode komen we nu aan in de twintigste en eenentwintigste eeuw, waarin het continent niet langer voornamelijk op Europa gericht is, maar interesse ontstaat voor denktradities van het eigen continent. Nu komt Dussel in de spotlights, door Heeffer de ‘grote voorvechter en de voornaamste spreekbuis’ hiervan genoemd (p. 95). Hier ligt duidelijk de liefde van deze auteur, want hij kwalificeert deze stroming als ‘de meest briljante en originele stroming in de Latijns-Amerikaanse filosofie’ (p.95) en dit jaar zal dan ook een boek van Heeffer verschijnen, waarin Dussel echt de hoofdrol krijgt. Dussel, die sterk beïnvloed is door Levinas bekommert zich vooral om de positie van de onderdrukten. Hier word ik weer met mijn neus op de feiten gedrukt van hoe weinig ik af weet van de geschiedenis van dit continent. Het is nieuw voor mij dat in 1968, het jaar van de hippie studentenrevolutie in Europa, tegelijkertijd in Mexico tweehonderd protesterende studenten werden vermoord.
            De bevrijdingsfilosofie is een sociaal-politieke, ethische denkrichting, die ging om ‘bevrijding uit het katholieke erfgoed, uit het eurocentrisch denken en uit de voetangels en klemmen van een economisch systeem waarin de rijkdom van de een de armoede van de ander betekent.’ (p.97). Dussel die sterkt leunt op het werk van Marx, plaatst dit in een ecologische context door een antropocentrische opvatting te vervangen door een biocentrische relatie tot de aarde. Dussel ziet dat de gelijkheid niet kan ontstaan zonder verzet tegen een wereld van bovendanen. Ook Dussel lijkt daarmee nog vast te houden aan een dialectisch opvatting tussen onder- en bovendanen. Hier gaat Heeffer verder niet op in.             Vervolgens volgt er een meer algemeen hoofdstuk over het vitalisme van oude talen, waarin een kritische reflectie plaats vindt op het voornamelijk gebruik van Westerse talen in de filosofie. Heeffer duidt taal als instrument van de filosofie en sleutel voor het opdiepen van het verleden en terecht merkt hij op dat hierbij zelden de taal van de inheemsen als sleutel wordt gebruikt. Hij verwijst hier naar het werk van bijzonder hoogleraar Antropologie en Etnohistorie van Latijns-Amerikaanse volken in Latijns-Amerika Ouweneel die zich afvraagt of wij als niet-Indiaanse onderzoekers uit West-Europa überhaupt wel iets kunnen bevatten van het heden en verleden van Indiaanse samenlevingen. Hoewel ik voornamelijk zeer verdrietig werd door de desastreuze invloed van de Spaanse kerk en politieke overheersing op dit continent, bracht de door Heeffer aangehaalde passage van Ouweneel toch een glimlach op mijn gezicht. Het begrip ‘zonde’ paste niet in een levensvisie van de Azteken, die het begrip tlatlacolli gebruikten voor alles dat besmeurd of beschadigd was en om een verstoring van het sacrale tijdsverloop aan te duiden. Maar aangezien ze niet in een hiernamaals geloofden werd het gebeuren vergeten en vergeven als het niet op korte termijn tot problemen, zoals ziekte of zonsverduistering leidde. Door het incorporeren van deze woorden in de Spaanse kerkdienst, werd het eigen inheemse gedachtegoed onbedoeld gereactiveerd bij iedere Spaanse kerkdienst.
            Het laatste hoofdstuk van het boek is gewijd aan het ecologisch gedachtegoed van Buen Vivir. Ook hier blijkt 1968 een sleuteljaar, want toen werd door Europese wetenschappers de Club van Rome opgericht, waarin de klimaatproblematiek reeds werd aangekaart. Dit sluit aan bij de visie vanuit Buen Vivir, in Nederland vooral bekend door het werk van de Ecuadoriaanse socioloog en econoom Alberto Acosta, maar in dit boek voornamelijk toegekend aan Dussel. Ook hier toont Heeffer zich weer een erudiet auteur, die de beweging in verband brengt met historische gebeurtenissen als het Dispuut van Valladolid (1550- 1551) en de Synode van Dordrecht (1618-1619) en de astronomische ontdekkingen van Copernicus (1473-1543) en Galileo Galilei (1564- 1642). De ‘ontdekkingen’ van Columbus, Copernicus en Galileo Galilei leidden tot een ander wereldbeeld dat gevolgen had op politiek (revolutie tegen aristocraten), wetenschappelijk en economisch gebied, waarin God werd vervangen door een religie van economische vooruitgang en de aarde gebruik mocht worden als wingewest. De Copernicaanse wending die nu nodig is om een klimaatcatastrofe te vermijden (indien nog mogelijk), zou wel eens uit Latijns-Amerika kunnen komen, door een filosofie waarin de aarde weer centraal staat. Hier is wel een wending van inzichten voor nodig, een dekoloniseren van ons denken.
            En op de laatste tien pagina’s van dit boek komen dan ook eindelijk de vrouwelijke filosofen naar voren die hier een rol bij kunnen spelen, met als eerste Latijns-Amerikaanse Mexicaanse feministische filosoof Sor Juana Inés de la Cruz (1651-1695).
            Het boek eindigt met een roep om interculturele dialoog met verwijzing naar de Duitse filosoof Heinz Kimmerle, maar het laatste woord is voor de Argentijnse socioloog Walter Mignolo, die pleit voor een dekolonisatie van ons denken en het luisteren naar de stemmen van mensen voor wie economische groei niet voorop staat, maar het leven in harmonie met de natuur. Even onvoorstelbaar als dat Columbus zich de ontdekking van Latijns-Amerika toe-eigende is onze complete desinteresse voor dit continent op filosofisch gebied tot nu toe. Er valt een wereld te winnen.

Van Roofbouw naar opbouw – Wil Heeffer
door Renate Schepen, oktober 2020