Een van de grootste zorgen van ons huidige kabinet is de kosten van de zorg. Sinds de verandering naar een participatiesamenleving is ingezet, is er voor de zorgbehoevende buurtbewoner een budget beschikbaar voor ondersteuning in de buurt. Wat hier buiten valt, wordt op een andere manier opgelost. De vraag welke zorg iemand nodig heeft, zou leidend moeten zijn, maar vaak is wat hij krijgt een economische afweging. De participatie-samenleving wordt door de een aangedragen als oplossing, door de ander verguisd als ‘een goedkope manier van de overheid om te zeggen: lossen jullie het zelf maar op.’ Maar er is geen kant en klare oplossing voor hoe verschillende partijen bij het verlenen van de zorg betrokken zouden moeten zijn: in welke rol, in welke positie en wanneer. We kunnen beter onderzoeken waarom het organiseren van de zorg die een buurtbewoner nodig heeft zo ingewikkeld is. Wellicht dat we onze denkkaders moeten veranderen. Daarom nodigde de Vrijwilligersacademie in Amsterdam lectoren, hoogleraren en journalisten uit voor een serie masterclasses over het thema ‘samenspel formele en informele zorg’. Zij deelden hun inzichten.

 

Vrijwilligers en beroepskrachten zijn complementair
Om optimale zorg te verlenen, moeten we als eerste zien dat vrijwilligers en beroepskrachten niet inwisselbaar zijn, maar dat ze elkaar aanvullen. Lucas Meijs, hoogleraar Strategic Philanthropy, benadrukt in zijn masterclass over ONuitwisselbaarheid van vrijwilligers en beroepskrachten, dat het verschil niet ligt in het feit of iemand formeel of informeel werkt, maar het verschil ligt in de motivatie, of iemand betaald krijgt en de daarbij horende machtsverhouding. Judith Metz, Lector Youth Spot, signaleert een aantal gebieden waarop vrijwilligers meerwaarde bieden boven beroepskrachten. Vaak worden vrijwilligers door de cliënt als meer oprecht ervaren, omdat zij het uit passie doen en geen financieel belang hebben. Vrijwilligers zijn vaak beter in staat om betekenisvolle relaties met de cliënt op te bouwen, omdat zij een betere aansluiting vinden met de doelgroep (bijvoorbeeld doordat ze uit dezelfde omgeving komen, ervaringsdeskundigen zijn en/of meer tijd hebben). Hierdoor is ook het vertrouwen in vrijwilligers groter en is de relatie vaak gelijkwaardiger dan die tussen cliënt en beroepskracht. Op relationeel gebied is de kwaliteit die een vrijwilliger biedt dus hoger, op vakinhoudelijk gebied niet noodzakelijkerwijs.[1] Een vergelijkbare specifieke waarde signaleren Jelle van der Meer en Marcel Ham bij burgerinitiatieven (informele zorg op grotere schaal). Betrokken burgers hebben vaak veel ervaring, staan dichter bij de mensen zelf, bieden meer maatwerk en zijn minder door regels gebonden. Hier staat het risico tegenover dat er door selectie mensen buiten de boot vallen en dat er niemand op afgerekend wordt, waardoor het minder controleerbaar is.[2] Anneke Bolle, belangenbehartiger Cliëntenbelang, voegt daar nog de zorg over de veiligheid van de cliënt aan toe. Ook familie is voor de cliënt niet altijd veilig. Verder spreekt zij haar zorg uit over de ‘gedwongen’ vrijwilliger, die dat werk van de gemeente moet doen om de uitkering te behouden.[3]

 

De paradox van de cliënt

We onderscheiden dus specifieke posities van formele en informele zorgverleners met ieder zijn eigen specifieke kenmerken en toegevoegde waarde. Tegelijkertijd vervullen personen vaak meerdere rollen op verschillende momenten. In Amsterdam Zuidoost zijn bijvoorbeeld vaak alleenstaande vrouwen de drijvende kracht achter ondersteuningsinitiatieven, ondanks het feit dat ze soms zelf in een financieel benarde positie zitten. Arme mensen hebben vaak wel een ondersteuningsnetwerk, maar worden zelf niet gezien als actieve burgers. Ama Koranteng-Kumi deed onderzoek naar ‘actief burgerschap in relatie tot informele ondersteuningsinitiatieven onder vrouwen in Zuidoost’. Zij noemt dit de paradox tussen kwetsbaarheid en vitaliteit. [4] De binaire tegenstelling tussen zorgbehoevend en zorgverlenend is kunstmatig, evenals de hiërarchische relatie tussen formele hulpverlener, informele hulpverlener en cliënt. Verder geeft zij aan dat bij het onderzoeken welke zorg op welk moment past, men de ‘couleur locale’ niet over het hoofd moet zien. Iedere buurt heeft zijn specifieke kenmerken. Als we gaan denken in knooppunten in een netwerk in plaats van in knelpunten in een maatschappij, gaat het niet meer alleen om de rol die iemand vervult (vrijwilliger, hulpverlener, cliënt, beleidsmaker), maar om hoe iemand als persoon een knooppunt in een netwerk kan zijn. Die functie kan net zo goed ingevuld worden door een vrijwilliger, een hulpverlener als door een cliënt. Dat betekent het een verschuiving van ik-denken naar wij-denken. Het is niet ‘I Amsterdam’, maar ‘WE Amsterdam’. In sommige buurten is deze verbondenheid en dit wij-gevoel al sterk ontwikkeld.

 

Denken in tegenstellingen of in samenspel?

De wereld is niet plat en bestaat niet uit tegenstellingen: bottom-up of top-down, zorgbehoevend of zorgverlenend of informele zorg of formele zorg. Vaak zijn scheidslijnen niet zo zwart-wit, maar lopen er in de verschillende domeinen en ook binnen mensen zelf voortdurend gebieden door elkaar. Als we dit beseffen kunnen we een cliënt daadwerkelijk gaan zien als knooppunt in een netwerk in plaats van onderaan bungelend in een lijn van zorgverleners, al dan niet betaald. Dit creëert de mogelijkheid om openingen in huidige denkkaders te ontdekken. Martin Stam, Lector Outreachend werken aan de HvA, is in het samenspeltraject in Amsterdam-Zuid, Zuidoost, Nieuw-West en Oost, tot de conclusie gekomen dat succesvol samenspel vooral plaats kan vinden als we kunnen erkennen dat dit niet eenvoudig is. Het gaat er juist om, hoe we omgaan met de momenten dat het moeilijk wordt. Het helpt als verschillende partijen elkaar dan niet beschuldigen, maar inzien dat het gerelateerd is aan het oude systeem en oude patronen. Juist wanneer iemand de vinger op de zere plek legt is dat een sleutel om samen uit te vinden hoe het effectiever en beter kan.

Daarnaast gaat het niet zozeer om het afbakenen van posities, maar om hoe we ons tot elkaar verhouden als mensen. Het uitnodigen van mensen op persoonlijke titel in plaats vanuit de organisatie die ze vertegenwoordigen, schept de ruimte om zowel vrijwilliger, mantelzorger, cliënt als formele hulpverlener of beleidsmaker te zijn.[5] Samenspel betekent niet alleen dat je samenspeelt in de zorg om de cliënt, maar ook bij het creëren van openingen in het systeem, zodat het weer om mensen gaat. Het betekent ook dat iemand soms even niet speelt. Er is ruimte om te mogen experimenteren voor nodig, zonder de angst dat je dadelijk definitief buitenspel staat, omdat iemand anders je taken overneemt. Als we vanuit dit nieuwe denkkader, waarbij knooppunten centraal staan, kijken naar het veranderd speelveld, kunnen er meer mensen meespelen. We kunnen dan toestaan dat iemand steeds andere rollen vervult. Het gaat dan niet meer om de rol of wie er wint, maar om de mensen die spelen.

Deze blog is tot stand gekomen in samenwerking met Esmeralda van der Naaten. Zij werkt voor de Vrijwilligersacademie en denkt vanuit clientenperspectief.

[1] Masterclass Judith Metz, Meerwaarde vrijwillige inzet, 14 november 2013

[2] Masterclass Marcel Ham en Jelle van der Meer, De ondernemende burger, 21 mei 2015

[3] Masterclass Anneke Bolle, Veiligheid en informele zorg, 19 maart 2015

[4] Masterclass Ama Koranteng-Kumi, Bloei & Groei in de informele zorg in Amsterdam Zuid-Oost, 28 september 2015

[5] Masterclass Martin Stam, Samenspel formele en informele zorg, 16 december 2015